Leer elk kind lezen

Zeven PISA-lessen



Andreas Schleicher

OESO-onderwijsbaas Andreas Schleicher

PISA is het Program for International Student Assessment van de OESO. Het meet de leesvaardigheid, wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid bij 15-jarigen uit 65 landen.Maar PISA test niet simpelweg wat er op school is geleerd, PISA test of leerlingen hun kennis kunnen extrapoleren en toepassen in nieuwe situaties.

Een PISA-rapport zorgt vaak voor  nervositeit. Als we stijgen in de ranking, laat PISA zien hoe goed ons onderwijs wel is. Als we dalen, onthouden we vooral dat we internationale vergelijkingen met een korrel zout moeten nemen. Dat is jammer, want we zouden ook een hoop kunnen leren uit die studies. OESO-onderwijsbaas Andreas Schleicher somt er zeven op (klik hier). Allemaal dingen die de best presterende landen kenmerken, allemaal dingen die haaks staan op wat in de minder goed presterende landen voor waar wordt gehouden.

 Mythe 1: Sociaal achtergestelde leerlingen presteren slechter.

In veel landen is dat zo. Maar PISA-tests laten zien dat de 10 procent meest achtergestelde leerlingen in Shangai beter doen voor wiskunde dan de 10 procent meest bevoorrechte leerlingen in de V.S. Goed onderwijs helpt achtergestelde leerlingen slagen en helpt ze zo verschillen in sociale achtergrond te overwinnen.

 Mythe 2: Leerlingen met een migratie-achtergrond halen het niveau omlaag.

Leerlingen met een migratie-achtergrond maken het de leerkracht niet makkelijker. Geen mens die dat tegenspreekt. Maar uit de gegevens die PISA nu al jaren verzamelt blijkt nooit enig verband  tussen het aandeel leerlingen met een migratie-achtergrond aan de ene kant en de prestaties van de geteste leerlingen aan de andere. Dus neen, kinderen met migratie-achtergrond maken het onderwijs niet slechter.

 Mythe 3: Hoe meer geld, hoe beter.

Natuurlijk moet er worden geïnvesteerd in onderwijs. Maar er is geen direct verband tussen de hoeveelheid geld aan de ene kant en prestaties aan de andere. Slovakije en de V.S. doen het in PISA-ranking ongeveer even goed. In Slovakije geeft  de overheid voor een leerling tussen zijn zesde en zijn vijftiende zo’n 53.000 dollar uit, in de V.S. is dat 115.000 dollar. Bovendien: Korea, het best scorende land voor wiskunde, besteedt per leerling minder dan het gemiddelde OESO-land. Zou het niet kunnen dat er in Slovakije en in Korea minder onderwijsgeld wordt weggegooid dan in de V.S.? Luxemburg en Korea geven aan een leerling een vergelijkbaar bedrag uit. Luxemburg kiest voor kleine klassen. Daardoor is er minder geld over om de leerkrachten een salaris uit te betalen  dat niet onderdoet voor dat van andere hoogopgeleide beroepen of om de schooldagen wat langer te laten duren. Korea pakt het anders aan. Lange schooldagen, en alleen de beste studenten kunnen leerkracht worden. Het geld voor hun salaris spaart de overheid uit door ze in grote klassen te laten werken. Maar: Luxemburg scoort zwak op prestaties én op gelijke kansen, Korea is op deze vlakken zowat de maat van alle dingen.

 Mythe 4: Kleinere klassen zijn beter.

Op dat punt heeft de OESO zowat alles vergeleken wat er te vergelijken valt. Of je klassen in één land met elkaar vergelijkt, of landen waar de gemiddelde klasgrootte heel anders is, altijd weer komt  de organisatie tot dezelfde conclusie: grote klassen zijn niet slechter, kleine klassen zijn niet beter.

 Mythe 5: Onderwijs is ofwel coulant maar democratisch, ofwel prestatiegericht maar elitair.

Het lijkt een algemeen aanvaarde wijsheid: onderwijs dat iedereen gelijke kansen biedt, beoordeelt de prestaties van de leerlingen een beetje ruimhartiger. Een focus op prestaties is typisch voor elitescholen. En toch: internationale vergelijkingen tonen aan dat er geen tegenstelling is tussen die twee. Goed onderwijs combineert beide. Het is democratisch én prestatiegericht. Landen die hun beste onderwijs reserveren voor bepaalde groepen in de samenleving (op welke manier ook) hebben gemiddeld minder toppresteerders onder hun leerlingen dan landen die hun onderwijs breed toegankelijk houden.

 Mythe 6: Een gedigitaliseerde wereld maakt een nieuw curriculum nodig.

De wereld verandert en dus moeten de leerplannen worden bijgesteld. Toont  de bankencrisis niet aan dat er behoefte is aan een schoolvak dat leerlingen vertrouwd maakt met de financiële wereld en hen financiële vaardigheden bijbrengt? Neen, dat doet ze niet. In landen waar zo’n vak op het curriculum is gekomen scoren leerlingen voor financiële geletterdheid lager dan in landen die hun leerlingen dieper leren nadenken over wiskundige problemen. Brede, maar oppervlakkige curricula zijn kenmerkend voor relatief zwak presterende landen. De best presterende onderwijssystemen hebben een strak curriculum waarin een paar dingen tot diep in diepte worden geleerd.

 Mythe 7: Prestaties zijn een kwestie van talent.

Niks van. Talentzoekende scholen die elke leerling onderwijs ‘op zijn niveau’ willen laten volgen, laten grote groepen leerlingen onderpresteren. Alle leerlingen kunnen namelijk hoge doelen bereiken. In de best presterende onderwijssystemen is dit onder leerlingen, ouders, leerkrachten en alle andere betrokkenen een algemeen aanvaard basisprincipe. Wie echt probeert mag erop rekenen dat de leerkracht hem helpt. Tot de doelen zijn bereikt. En dat doel is nooit een gemiddelde prestatie, maar een die voordien van een elite-leerling werd verwacht.

Wilt u het Schleicher zelf horen uitleggen? Zeventig keer minder vaak bekeken dan Ken Robinson, maar veel verstandiger. Zijn Duitse accent vergeeft u hem wel.

No Comments Yet

Leave a Reply

WordPress Appliance - Powered by TurnKey Linux