Leer elk kind lezen

Verstoorde verbindingen veroorzaken dyslexie



De verbindingen tussen het gebied waar fonemen opgeslagen zitten (groen omcirkeld) en de auditieve cortexen waar fonemen worden verwerkt  zijn bij dyslectici verstoord.

De verbindingen tussen het gebied waar fonemen opgeslagen zitten (groen omcirkeld) en de auditieve cortexen waar fonemen worden verwerkt zijn bij dyslectici verstoord.

Eindelijk weten we wat er bij dyslectici misloopt. Leuvens hersenonderzoek bij volwassen dyslectici toont aan dat de connectiviteit tussen hersengebieden die betrokken zijn bij foneemverwerking verstoord is. Is het idee dat leesproblemen het gevolg zijn van een stoornis dan toch geen dwaalspoor? En kan de Alfabetcode nu op de schop?

Laten we eerst eens kijken wat de onderzoekers gevonden hebben. Onderzoeker Bart Boets legt het in het Engels uit in een interview-video, maar voor het gemak doen we dat nog even over.

Een alfabetisch schriftsysteem koppelt lettertekens aan fonemen. Zo’n systeem valt dus alleen te leren als je weet welke klanken realisaties zijn van hetzelfde foneem en welke niet. Een voorbeeld. Let even op de beide /g/-klanken in gigantisch. Bij de eerste raakt uw tong uw verhemelte vooraan in de mond, bij de tweede meer naar achteren. Daardoor klinken ze ook lichtjes verschillend, maar dat maakt in het Nederlands niets uit: de /g/ in /gi/ en de /g/ in /ga/ zijn twee realisaties van hetzelfde foneem. Anderzijds moet het net zo goed duidelijk zijn wanneer we met een ander foneem te maken hebben. Welke klanken kunnen realisaties zijn van het foneem /g/, en welke zijn realisaties van een ander foneem: /h/ of /ch/ om maar wat te zeggen?

De hypothese van de onderzoekers was dat bij dyslectici hier een en ander mis zou lopen. Dus gingen ze bij dyslectische en vlotte lezers op zoek naar de manier waarop de fonemen in het brein opgeslagen zitten. En wat blijkt? De mentale representatie van het foneemsysteem is bij dyslectici volledig intact. Ze zijn niet slechter dan bij vlotte lezers, als er al verschillen te vinden zijn, dan zijn ze bij dyslectici beter.

Maar: een intacte representatie van het foneemsysteem volstaat niet om vlot te kunnen lezen, redeneerden de onderzoekers. Je moet ook in staat zijn om met die fonemen bewerkingen uit te voeren: ze koppelen aan tekens bijvoorbeeld. Dit soort foneemmanipulatie gebeurt niet op de plek waar de fonemen opgeslagen zitten. En daar knelt voor dyslectici de schoen: hun mentale foneemrepresentaties mogen dan wel intact zijn, de toegang tot die representaties is duidelijk zwakker aangelegd dan bij vlotte lezers.

De Leuvense onderzoekers stellen hun bevindingen voor. Bart Boets, derde van links, Pol Ghesquière helemaal rechts op de foto.

De Leuvense onderzoekers stellen hun bevindingen voor. Bart Boets, derde van links, Pol Ghesquière helemaal rechts op de foto.

Dyslexie is dus, aldus de onderzoekers, een stoornis die veroorzaakt wordt door een breindefect waarbij de toegang tot foneemrepresentaties (die op zich van prima kwaliteit zijn) wordt bemoeilijkt.

En nu?

Om te beginnen: dyslectici hebben intacte foneemrepresentaties. Dat wil zeggen: wie beweert dat dyslectici klanken anders horen en een /b/ vaak voor een /d/ houden, krijgt van de onderzoekers ongelijk. Overigens, als het probleem werkelijk daar lag, zouden dyslectici de grootste problemen moeten hebben om een normaal gesprek te voeren.

Ten tweede: ook technisch lezen is informatie verwerken. Voor welke klanken en woorden staan die krabbeltjes, daar gaat het om. Informatie verwerken is wat het brein doet. Als die informatieverwerking bij sommige mensen moeilijker loopt dan bij andere, dan gaat er in het brein van die mensen iets moeizamer dan bij de anderen. Dát er zo iets is, is niet verwonderlijk. Maar de onderzoekers hebben laten zien wát het is. En dat is interessant.

Want: dyslectici hebben wel intacte foneemrepresentaties, maar de toegang tot die representaties vinden ze moeilijker. Maar hoe zit dat met vlotte lezers? Die zijn vlotjes in staat fonemen aan lettertekens te koppelen, maar dat komt niet omdat ze met die vaardigheid geboren zijn, dat komt niet omdat de weg naar de foneemrepresentaties was aangelegd toen ze ter wereld kwamen. Integendeel: ze hebben die weg moeten aanleggen, door inzicht te verwerven in de fonemen van hun taal, door foneembewustzijn te ontwikkelen. Dat ze toegang hebben tot de foneemrepresentaties in hun brein, is dus het gevolg van een leerproces. En als ze tot die representaties een vlottere toegang hebben dan dyslectici, dan komt dat omdat dat leerproces bij hen succesvoller is verlopen.

Met andere woorden: wat kinderen nodig hebben als ze gaan leren lezen is expliciete en correcte training in foneembewustzijn. Als geen enkele van de methodes die in Vlaanderen en Nederland voor aanvankelijk lezen worden gebruikt erin slaagt de kinderen die training te bieden, dan hoeven we niet ver te zoeken waar de narigheid van dyslectici vandaan komt. En dan weten we ook wat we moeten doen om die narigheid te voorkomen.

Samengevat: wellicht zullen de Leuvense onderzoekers het niet graag horen, maar eigenlijk wijzen hun bevindingen erop dat we met Dwaalspoor dyslexie en de Alfabetcode op het goede spoor zitten. ‘Scholen moeten meer tijd en aandacht besteden aan de koppeling van klanken en de tekens die deze klanken representeren,’ zegt co-auteur Pol Ghesquière in de krant De Morgen. ‘Als ze in de klas voor zij die het nodig hebben kleinere stappen zouden zetten, dan zou dat spectaculaire effecten hebben. Daar ben ik van overtuigd.’

Spectaculaire positieve effecten, dat is inderdaad precies wat we met de Alfabetcode bereiken door de koppeling tussen klanken en tekens op een goede manier aan te leren.

No Comments Yet

Leave a Reply

WordPress Appliance - Powered by TurnKey Linux