Leer elk kind lezen

Vaak gestelde vragen



 

Tot op welke leeftijd zijn problemen met lezen recht te zetten?

Problemen met lezen ontstaan door falend onderwijs. Kinderen raken in de war, behelpen zich zo goed als ze kunnen en vallen na een poos door de mand. Maar dat behelpen is intussen wel een gewoonte geworden. Het gaat er dus om die slechte gewoonte weer af te leren en er een goede voor in de plaats te zetten.

In principe kan dat op elke leeftijd. Maar slechte gewoontes afleren is altijd lastig, en het is lastiger naarmate de gewoonte ouder is: wie dertig jaar gerookt heeft, kan moeilijker zonder sigaret dan wie nog maar drie maanden rookt.  Een andere factor is motivatie: hoe erg wil je van die slechte gewoonte af, wat heb je ervoor over en denkt je omgeving ervan?

Wie denkt niet zonder sigaret te kunnen ‘omdat hij nu eenmaal een roker is’, komt nooit van zijn sigaretten af. Wie ervan overtuigd is dat hij niet kan leren lezen ‘omdat hij dyslectisch is’, zal het inderdaad niet leren. Dat is net hetzelfde.

Terug naar boven.

Is er een verband met dyscalculie?

Dwaalspoor dyslexie gaat over dyslexie, niet over dyscalculie. Het is echter best mogelijk dat er grote overeenkomsten zijn, en dat dyscalculie net als dyslexie het gevolg is van falende onderwijsmethoden. Dat is in elk geval de stelling die Wolfram Meyerhöfer, specialist in didactiek van de wiskunde en verbonden aan de universiteit van Paderborn, verdedigt in een gesprek met het Duitse weekblad Der Spiegel (24/2012).

Als u in dat interview ‘rekenen’ door ‘lezen’ vervangt en nog een paar kleine wijzigingen in die geest doorvoert, zou het een gesprek met mij kunnen zijn. Bijvoorbeeld over de gevolgen van het etiket: ‘Deze kinderen krijgen het gevoel dat er hen iets mankeert. Maar het belangrijkste probleem is dat de school zich niet meer verantwoordelijk voelt. Dat leerkrachten zeggen: voor zo’n kind kan ik niets doen.’

Toch is er een groot verschil. Over hoe goed rekenonderwijs eruitziet zegt Meyerhöfer zo goed als niets. Behalve dat het aan specialisten moet worden overgelaten. Een goede methode voor lezen en spellen vindt u in Dwaalspoor dyslexie en u kunt er in principe meteen mee aan de slag.  Maar hoe een goede methode voor rekenen eruitziet en wat ze van een slechte onderscheidt, is een verhaal dat elders moet worden verteld en dat door anderen zal moeten worden bedacht.

Klik hier en lees hier het gesprek met Wolfram Meyerhöfer.

Terug naar boven.

Is de Alfabetcode een variant op de ABC-Methode De Haan?

Allerminst. De Alfabetcode heet Alfabetcode omdat ons schrift een alfabetische code hanteert. De  (in Vlaanderen zo goed als onbekende) ABC-Methode De Haan dankt het eerste deel van haar naam aan het feit dat kennis van het alfabet er een centrale plaats inneemt. Een kleine schets laat zien dat de verschillen tussen beide methodes nauwelijks groter hadden kunnen zijn.

Volgens de ABC-Methode De Haan moeten kinderen in de eerste plaats letternamen leren. De eerste leesoefeningen bevatten uitsluitend woorden met aa, ee, ie, oo, en uu, ‘zodat de alfabetletters bij het spellen hun klank blijven houden’. Bovendien wordt er in een vroeg stadium onderscheid gemaakt tussen klinkers en medeklinkers. Later komen de zogenaamde ‘korte klanken’:  die worden ‘veroorzaakt door de medeklinker die direct volgt’. En dan is het ‘nog maar een kleine logische stap naar het leren van een goede dubbelzetter’ in woorden als kat-ten. Op deze manier worden ‘de natuurlijke regels van de taal gevolgd’ en daarom ‘is deze manier van beginnen zowel geschikt voor kinderen die de taal op hun gevoel kunnen leren (het komt overeen met hun gevoel, verwachting), als voor de kinderen die de taal meer met hun verstand leren’. (Alle citaten komen van de pagina Aanvankelijk lezen op de website van de ABC-Methode De Haan.)

Op de logica van een en ander valt nogal wat aan te merken. Letters ‘hebben’ namelijk helemaal geen klank, ze dienen om klanken op te schrijven. Kortere klanken worden helemaal niet veroorzaakt door een medeklinker die direct volgt: in maan volgt de medeklinker n even direct na de klinker als in man. Er wordt al vroeg onderscheid gemaakt tussen klinkers en medeklinkers, maar toch wordt er over korte klanken gesproken, alsof ook medeklinkers in het Nederlands lang kunnen zijn. Het leren van ‘een goede dubbelzetter’ lijkt eerder een stukje magie dan ‘een kleine logische stap’. Dat, ten slotte, op deze manier de ‘natuurlijke regels van de taal’ zouden worden gevolgd, is een misvatting. De spelling en het schrift zijn namelijk culturele bijproducten van taal: spelling en schrift zijn in wezen onnatuurlijk. Als we beslissen om vanaf morgen de medeklinker consequent te verdubbelen na elke ‘korte klinker’ (en min of meer zoals in het Duits katt en katten te schrijven),  wordt het Nederlands daardoor geen andere taal.

Ook in de beschouwingen over dyslexie worden bij de ABC-Methode De Haan taal en schrift als een geheel beschouwd. Wie leert lezen, leert de taal niet. En wie problemen heeft met lezen, hoeft geen probleem met taal te hebben.

Terug naar boven.

Hoe combineer ik de Alfabetcode met de aanpak op school?

Laten we het concreet houden.

Stel, u bent moeder van een zoontje van acht. De leerkrachten vermoeden dat hij dyslexie heeft, omdat hij erg traag en met heel veel fouten leest. Ook spellen gaat slecht. Dus probeert u het met de Alfabetcode. De leerkrachten op school willen echter dat uw zoon volgens hun methodes werkt. (Laten we zeggen dat die methodes Aanvankelijk lezen en Taal+ heten.)  Hoe combineert u dan de Alfabetcode met de aanpak op school?

Een paar dingen moeten we goed voor ogen houden.

Eén: uw zoon heeft problemen met lezen en spellen. Die heeft hij niet gekregen omdat u met de Alfabetcode verwarring bent gaan stichten. Integendeel: de verwarring is begonnen met Aanvankelijk lezen (en door Taal+), en u probeert uw zoon met de Alfabetcode uit zijn verwarring te helpen.

Twee: als uw zoon het met Aanvankelijk lezen (en nadien Taal+) niet redt, dan komt dat dus omdat er iets scheelt met de methodes die zijn verwarring hebben veroorzaakt, niet omdat er iets scheelt met uw zoon. (En ook niet noodzakelijk omdat er iets scheelt met de leerkrachten van uw zoon.)

Drie: de kans is erg klein dat de methode die verwarring bij uw zoon heeft veroorzaakt, die verwarring ook weer zal wegnemen. Anders gezegd: als u hem gewoon laat doorgaan met Taal+, komt het waarschijnlijk niet goed met hem.

Vier: als u met uw zoon foneembewustzijn traint en hem vervolgens basiskoppelingen leert, dan maakt u zijn verwarring niet groter. Wat u hem leert is volkomen helder, en helderheid is niet verwarrend. Dus: uw werk met de Alfabetcode loopt de goede opbouw van Taal+ niet in de weg (want die goede opbouw is er niet), Taal+ maakt het uw zoon moeilijk om het schrift (de alfabetcode) te leren hanteren zoals het hoort.

Hoe gaat u daar nu praktisch mee om?

Uw zoon heeft er alle belang bij zo snel mogelijk uit zijn verwarring te komen. Dat betekent: als u begint met de Alfabetcode, werk dan door, maar sla niets over.

Als de school weigerachtig staat tegenover het feit dat u uw zoon zelf wilt helpen, dan is dat jammer (en lastiger), maar geen reden om het niet te doen. Tenslotte gaat het om het belang van uw zoon, en om niets anders.

Ook als u nog met basiskoppelingen bezig bent, zorg dat u toch al een kijk hebt op de manier waarin de belangrijkste afwijkingen van de basiscode in de Alfabetcode worden aangepakt. De belangrijkste zijn de medeklinkerverdubbeling (kat – katten), de verenkeling van de klinker (aap – apen), het ‘stamschrijven’ (paard, weg, web met d, g, b aan het eind) en de spelling van de klank /t/ bij de werkwoorden. Het zal beslist gebeuren dat u nog aan basiskoppelingen werkt terwijl uw zoon op school dictees krijgt met woorden als katten en appel erin. Als hij voor dat dictee een slecht cijfer krijgt, komt dat niet omdat u met hem aan de slag bent gegaan. Trekt u er zich niet al te veel van aan en stel hem gerust. Zeg hem gewoon hoe het zit: ‘Kijk, de klank /t/ schrijf je zoals met de letter die je geleerd hebt, t, maar soms moet je tt schrijven. Dat doe je altijd als je atte, ette, itte otte, utte hoort. Welke klanken hoor je in  katten? Zit atte, ette, itte otte, utte in katten? Daarom schrijf je tt. Moeilijker dan dat is het niet, maar maak je geen zorgen, als we goed blijven doorwerken, heb je dat gauw genoeg geleerd.’

Dat beetje uitleg dient niet om het hem op dat ogenblik te leren. Het dient wel om te laten zien dat het allemaal niet zo moeilijk is en dat u erop vertrouwt dat hij het best kan leren.  Dat vertrouwen heeft hij hard nodig. U verwacht dus ook nog niet dat hij op school katten goed schrijft en u laat hem zulke woorden niet schrijven voor u zover bent gekomen in de Alfabetcode-opbouw.

Werk gestaag door – zo snel mogelijk – maar laat u niet opjutten door een paar slechte toetsen op school. U bent met uw zoon aan een inhaalbeweging bezig. Als de juf met een toets zwaait en roept dat uw zoon achteropzit, is dat niets nieuws. En het helpt hem ook niet om achterstand op de anderen in te lopen. U pakt het anders aan: u neemt een andere, een veiliger route waarmee u het doel misschien wel eerder bereikt dan de Taal+-kinderen.

Terug naar boven.

Kan ik al met de Alfabetcode beginnen als mijn kind nog in de kleuterklas zit?

Natuurlijk kunt u dat. Het hoeft niet, maar de meeste kinderen van vijf zouden het best aankunnen.

Natuurlijk kunt u zich afvragen waarom u dat zou doen. Een goede reden is: om moeilijkheden te voorkomen. Als u er zeker van bent dat uw kind getraind is in  foneembewustzijn wanneer op school het leesonderwijs begint, dan is de kans dat er grote moeilijkheden ontstaan al veel kleiner. Het zou natuurlijk kunnen dat uw kind door die training zin krijgt in meer. Dat het echt wil gaan lezen en schrijven. Dan moet u niet op de rem gaan staan. Net als de meeste ouders vraagt zich misschien af of u daar wel goed aan doet, want wat zal de school daarvan vinden?

In de eerste plaats: het gaat om uw kind. U wilt dat uw kind een gelukkige volwassene wordt? Welnu, vlot lezende volwassenen zijn gemiddeld veel gelukkiger dan moeizaam lezende. Dus laten we maar doen wat nodig is om ervoor te zorgen dat uw kind een vlotte lezer wordt. En ergens aan het eind van de laatste kleuterklas (aan het eind van groep 2) laat u op een paar scholen in uw buurt zien wat uw kind kan. U neemt wat schrijfwerk van hem mee, meer is daar niet voor nodig. En u kijkt hoe de school daarop reageert. Op die manier kunt u uw schoolkeuze baseren op wat er waarschijnlijk in de klas met uw kind gebeurt. Uiteindelijk is dat belangrijker dan  het vermogen om op het schoolfeest een goede indruk te wekken.

Terug naar boven.

Waarom alle kinderen opzadelen met een methode die een paar kinderen van hun problemen moet afhelpen?

Waarom alle kinderen in de auto vastklikken? Waarom alle kinderen een maatregel opleggen die een paar kinderen voor zware verwondingen moet beschermen? Simpel: je weet nooit vooraf welke kinderen bij een ongeval betrokken raken en daarom klik je ze allemaal vast. Want vastklikken kost weinig en als het eropaan komt, is de winst enorm.

Met leesmethodes is het net hetzelfde. Je weet nooit vooraf welke kinderen zullen vastlopen. Daarom geef je ze allemaal instructie waarvan ze niet in de war geraken. De Alfabetcode biedt zulke instructie. De andere methodes niet. (Wat ze fout doen, staat uitgebreid in het eerste deel van Dwaalspoor dyslexie.)

De Alfabetcode is dus geen methode voor remedial teaching, geen bijspijkermethode en is niet gemaakt om gebroken potten te lijmen. Hoewel ze beter dan welke methode ook voor dat laatste geschikt is, ze is in de eerste plaats gemaakt om te voorkomen dat er potten breken.

Het enige wat u kinderen ontneemt als u ze met de Alfabetcode leert lezen en schrijven, is het gevaar dat het slecht afloopt. Wilde u beweren dat dat erg is?

(Waaruit blijkt dat deze vaak gestelde vraag ook een gemeen kantje heeft.)

Terug naar boven.

Hoe zit het met linkshandige kinderen?

Bij de methode Schrift legt een linkshandige, net als een rechtshandige, het schrift evenwijdig aan de onderarm. De hand bevindt zich dan ónder de regel en zo veegt de hand niet door de inkt als er met een vulpen geschreven wordt.

Er worden in didactiekboeken over handschriftontwikkeling hele hoofdstukken vol geschreven over linkshandigen, maar dat is alleen maar vulling. Er valt in feite niet zo heel veel meer over de omgang met linkshandigheid te vertellen. Eén plaatje laat eigenlijk alles zien wat er te zeggen valt.

linkshandig

 

 

 

 

 

 

Terug naar boven.

En als de kinderen bepaalde klanken nu eens anders uitspreken?

Elke streek heeft zijn uitspraakvarianten. Dat is nu eenmaal zo. Maar: waar kinderen ook opgroeien, een uitspraak leren die als algemeen Nederlands  kan worden beschouwd, kunnen ze altijd. Ook dat is nu eenmaal zo. En als kinderen die standaard thuis niet leren, dan moeten ze dat op school doen.

Natuurlijk is het makkelijker om kinderen foneembewustzijn bij te brengen als ze de standaarduitspraak beheersen. Maar: hoe hinderlijk uitspraakvarianten ook mogen zijn, twee dingen moet u goed voor ogen houden.

Ten eerste: uitspraakvarianten lopen net zo goed in de weg als de kinderen met een van de gebruikelijke methodes leren lezen, al valt dat bij die gebruikelijke methodes minder op. Dat de hinder van uitspraakvarianten bij Alfabetcode-kinderen duidelijker in de kijker loopt, zorgt ervoor dat deze kinderen niet tegen een hindernis blijven aanlopen, die hun onderwijzers niet eens is opgevallen. (Omdat hun uitspraak op net dezelfde manier van de standaard afwijkt bijvoorbeeld.) Uitspraakvarianten zijn dus geen reden om voor een methode te kiezen die minder of hooguit zijdelingse aandacht besteedt aan training in foneembewustzijn.

Ten tweede: uitspraakvarianten zijn hooguit hindernissen. Ze zijn geen barrières. Ze zijn nooit een onoverkomelijk probleem. Wie beweert dat ze dat wel zijn, beweert eigenlijk dat toch weer dat we sommige kinderen niet kunnen leren lezen. En dat je met een uitspraaktest zou kunnen ontdekken welke kinderen dat zijn.

Maar wat als kinderen geen verschil horen tussen /u/ en /e/ en het leven dus  vurrukkuluk vinden, en als voor kinderen in een hroot deel van Vlaanderen  /g/ en /h/ hetzelfde klinken? Dan zullen ze die verschillen toch moeten leren. En die kunnen ze leren van een leerkracht die de verschillen consequent laat horen. Als jongeren later Engels gaan leren, hebben ze ook een leerkracht nodig die hen ongehoorde dingen kan laten horen: die rare th‘s in that thing, de laatste medeklinker in bed die als /d/ en niet als /t/ klinkt. De jongeren die op school Engels leren, zijn ouder dan de kinderen dan de kinderen die leren lezen en schrijven. Hoe jonger kinderen zijn, hoe makkelijker ze uitspraakvarianten, accenten en zelfs hele vreemde talen oppikken. Als Engels lerende jongeren typisch Engelse klanken kunnen leren horen, is er dan ook geen reden om aan te nemen dat beginnende lezers de klanken van het Nederlands niet zouden kunnen leren.

Dus: als kinderen bepaalde klanken anders uitspreken, hebben ze de Alfabetcode misschien nog meer nodig dan wanneer ze dat niet doen.

Terug naar boven.

 

Hoe gaan de kinderen van schrijfletters naar leesletters?

Achteraan in Dwaalspoor dyslexie staan alle 42 basiskoppelingen een keer in schriftletters, een keer in een schreefletter en een keer in een ‘eenvoudige’ schreefloze letter.

Daarmee gaat u als volgt aan de slag.

Aan het begin van elke les blikt u terug op de koppelingen die de kinderen al hebben geleerd: zowel schrijvend als lezend. Voor dat laatste maakt u een kopie van de basiskoppelingen in schriftletter. Na een beetje knippen hebt u flitskaartjes waarmee de kinderen elke dag kunnen oefenen. Voor de letters en lettercombinaties die echt goed gaan – flitsend, reflexmatig – mengt u nu ook schreefletters in het pak. De kinderen zullen daar weinig moeite mee hebben. En zodra die ook goed gaan kunt u de moeilijkste letters – de ‘eenvoudige’ dus – in het pak stoppen.

Op die manier leren de kinderen eerst de makkelijke letters en later de moeilijke: een heel wat vriendelijker opbouw dan de gebruikelijke die de kinderen eerst de moeilijkste letters in de maag splitst.

 

WordPress Appliance - Powered by TurnKey Linux