Leer elk kind lezen

Julian Elliott over dyslexie en emoties



Julian Elliott: dyslexielabels dienen geen wetenschappelijk doel, ze hebben vooral een emotionele functie.

Julian Elliott: dyslexielabels dienen geen wetenschappelijk doel, ze hebben vooral een emotionele functie.

Julian Elliott is hoogleraar onderwijskunde aan de universiteit van Durham.  In Dyslexia myths and the feel bad factor, een artikel dat hij in september 2005 voor TES Newspaper schreef, zet hij alle rationele argumenten om  ernstige vragen te stellen bij de wetenschappelijke status van dyslexie nog een keer op een rij. Er is geen enkele manier om dyslexie vast te stellen en er is geen enkele reden om ‘dyslectische’ zwakke lezers anders te behandelen dan gewone zwakke lezers.

Maar als de term dyslexie niet deugt, waarom zijn mensen er dan zo aan gehecht? Waarom volstaan argumenten niet om ze ervan af te brengen? En waarom raken mensen zo opgewonden over het thema?

Volgens Elliott komt dat door de status die lezen heeft. Nog niet zo heel lang geleden was niet goed kunnen lezen een teken van domheid. En dat was genoeg om de school voor talloze kinderen tot een hel te maken. Maar het was ook genoeg om het volledig uit de lucht gegrepen idee achter dyslexie bijzonder aantrekkelijk te maken: het idee dat sommige kinderen een bijzondere aanpak nodig hebben omdat ze zwak zijn in lezen, maar toch erg intelligent. Wie vandaag niet goed kan lezen, is liever dyslectisch dan dom, en daarom is het idee zo populair.

In werkelijkheid echter is het decoderen van tekst een cognitieve activiteit die maar weinig intelligentie vereist en vaak prima wordt uitgevoerd door mensen met erg beperkte intellectuele capaciteiten. Technisch lezen en intelligentie hebben dus maar weinig met elkaar te maken en de claim dat er iets bijzonders aan de hand is met kinderen die slecht lezen ondanks hun intelligentie slaat nergens op. We maken ons ook geen bijzondere zorgen om mensen die slecht autorijden ondanks hun grote vaardigheid in het oplossen van differentiaalvergelijkingen.

Als een kind slecht leest, is dat geen reden om aan zijn intelligentie te gaan twijfelen. Als een kind slecht leest, moeten we ons afvragen of het voldoende goede instructie en voldoende tijd voor goede oefening gekregen heeft om het te leren. Maar dat is dan weer een gedachte die onderwijzers verontrustend vinden. Wie zwakke lezers in zijn klas heeft, is liever ‘niet gekwalificeerd voor het begeleiden van kinderen met een specifieke leerstoornis’ dan gewoon een slechte leraar.

Daarom: als een leraar zwakke lezers in zijn klas heeft, is dat geen reden om aan zijn kwaliteit als onderwijzer te gaan twijfelen. Als er zwakke lezers in onze klassen zitten, moeten we ons afvragen wat onderwijzers eigenlijk hebben geleerd over leren lezen. En we moeten ons afvragen wat methodemakers er eigenlijk over weten.

Het perfide aan het idee achter dyslexie is dat het deze vragen niet  toestaat. Een goede, wetenschappelijk verantwoorde reden is daar niet voor te bedenken. Maar, zoals Julian Elliott stelt, dyslexia persists as a construct largely because it serves an emotional, not a scientific, function.

Lees ook: Veilig leren lezen?, Dyslexie en intelligentie

WordPress Appliance - Powered by TurnKey Linux