Leer elk kind lezen

Of een zone in het continuüm van leesvaardigheid?



Jim Rose: 'De vraag is niet of iemand dyslectisch is. De vraag is in welke mate.'

Jim Rose: ‘De vraag is niet of iemand dyslectisch is. De vraag is in welke mate.’

In 2009 stelde onderwijsexpert sir Jim Rose aan de Britse overheid een rapport voor over dyslexie en leesproblemen. (Klik hier en kijk vanaf p 29.) In het commentaar bij zijn definitie voor dyslexie schrijft hij dat ‘dyslexieproblemen het best worden gesitueerd in een continuüm, van mild tot ernstig, eerder dan beschouwd als een scherp afgelijnde categorie. Tot voor kort namen we aan dat een kind ofwel dyslexie had ofwel niet. Momenteel wordt erkend dat er geen scherpe scheidslijn is tussen wel een leerprobleem als dyslexie hebben of niet.’

Een continuüm, dus.  Dat ziet er grof gesteld zo uit. Leesvaardigheid is ongelijk verdeeld over de bevolking, net als geld en intelligentie. De mensen met de x procent hoogste scores op IQ-tests noemen we hoog-intelligent, de mensen met de x procent laagste inkomens noemen we arm. En de mensen met x procent laagste scores voor leesvaardigheid noemen we dyslectisch.

In publicaties van Nederlandse en Vlaamse dyslexiespecialisten zie je deze redeneertrant steeds vaker opduiken. Het aantrekkelijke eraan is dat we daarmee van een aantal problemen verlost lijken. Zoals de kwestie hoeveel dyslectici er eigenlijk zijn. Als je de vijf procent zwakste lezers dyslectisch noemt, heb je vijf procent dyslectici. Per definitie.

Wie daarin meegaat, moet wel zo sportief zijn de consequenties te erkennen. In een leesvaardigheidscontinuüm zijn dyslectici niet fundamenteel anders dan andere zwakke lezers, ze zijn hooguit nóg zwakker. Wat ze nodig hebben is dus wat alle kinderen nodig hebben: leerkrachten die blijven zoeken naar een manier om hen toch te leren, in de plaats van vast te houden aan methodes die het de kinderen moeilijker maken dan nodig.

Bovendien maakt het idee van dyslexie als ‘de linkerkant van het leesvaardigheidscontinuüm’ de term dyslexie tot een relatief begrip. Of ik dyslectisch ben, hangt niet alleen af van wat ik zelf kan, maar vooral ook van wat anderen kunnen.

Wat dat wil zeggen blijkt uit het werk van de Hamburgse wetenschapper Peter May. Die vergeleek begin jaren negentig de spelling van kinderen die in de DDR school hadden gelopen met die van West-Duitse kinderen.  (Dat artikel leest u hier.) Hij nam de vijf procent zwakste spellers uit de West-Duitse klassen en ging na hoeveel procent van de Oost-Duitse kinderen even zwak presteerde. In de eerste klas – bij zesjarige kinderen – schreef slechts 1,5 procent van de Oost-Duitse kinderen evenveel fouten als de 5 procent zwakste spellers uit het westen. In de negende klas – bij vijftienjarigen – was het verschil veel groter: 0,3 procent in de DDR tegen 5 in het westen. Dat wil zeggen: op de scholen in het westen zaten 17 keer meer extreem zwakke spellers dan in Oost-Duitsland. Dus: de overgrote meerderheid van de 5 procent zwakste spellers in de DDR (van de kandidaat-dyslectici in de DDR) zou in West-Duitsland hooguit als een redelijk zwakke speller zijn beschouwd, maar beslist niet als dyslectisch. Of een kind als dyslectisch wordt beschouwd, hangt er dus van af hoe goed (of slecht) de anderen lezen.

Zo beschouwd gaat dyslexie op een competitie lijken. Een voetbalclub die uit de Engelse Premier League degradeert, is zwak in Engeland, maar misschien wel goed genoeg om in België kampioen te worden. En ook: als – zoals meer op grond van vooroordelen dan van feiten vaak wordt beweerd – áls het onderwijs in Vlaanderen beter is dan in Nederland, dan zouden Vlaamse dyslectische kinderen van hun dyslexie kunnen afkomen door naar Nederland te verhuizen.

Komen we daarmee vooruit?

WordPress Appliance - Powered by TurnKey Linux